Alliade Onderzoeksatelier

Doofheid en slechthorendheid

Wat is doofheid en slechthorendheid?

Doofheid en slechthorendheid zijn ingedeeld aan de hand van de ernst van het gehoorverlies:

Licht gehoorverlies (verlies van 20-40 decibel)
De cliënt heeft moeite om anderen te horen of verstaan als ze zacht praten, fluisteren, ver weg staan of in een lawaaiige omgeving zijn.

Matig gehoorverlies (verlies van 40-60 decibel)
De cliënt heeft moeite om anderen te horen of verstaan als ze op een normaal geluidsniveau praten, zelfs op korte afstand. Ook het geluid van een telefoon kan hij slecht of niet horen.

Ernstig gehoorverlies (verlies van 60-90 decibel)
De cliënt verstaat anderen zelfs niet als ze hard praten. Ook hoort hij de sirene van een brandweer- of ziekenauto niet of nauwelijks.

Zeer ernstig gehoorverlies (verlies meer dan 90 decibel)
De cliënt hoort zelfs het geluid van een motor of boormachine niet. Als een ander praat kan hij dat alleen volgen door liplezen.

Doofheid
Wordt ook zeer ernstig gehoorverlies genoemd. De cliënt hoort zo goed als niets meer.

Wat zijn de oorzaken van doofheid en slechthorendheid?

Doofheid en slechthorendheid kunnen verschillende oorzaken hebben, bijvoorbeeld:

  • aangeboren
  • ouderdom
  • erfelijkheid, bijvoorbeeld door het syndroom van Usher
  • lawaai, bijvoorbeeld door harde muziek of harde geluiden op het werk
  • bepaalde medicijnen of aandoeningen

Doofheid en slechthorendheid en een verstandelijke beperking

Ongeveer 30% van de mensen met een verstandelijke beperking heeft gehoorproblemen. Dit ligt een stuk hoger dan bij mensen zonder verstandelijke beperking. Hoe ernstiger de verstandelijke beperking, hoe groter de kans dat de cliënt slechthorend of doof is. Slechthorendheid of doofheid komt voor bij 57% van de mensen met downsyndroom.

Wat zijn de gevolgen?

Doofheid en slechthorendheid kunnen voor de cliënt verschillende gevolgen hebben:

  • Hij begrijpt minder goed wat anderen van hem verwachten, maar kan dit niet altijd duidelijk maken. Dit kan tot frustratie en probleemgedrag leiden.
     
  • De cliënt maakt moeilijker sociale contacten en kan ze minder goed onderhouden. Hierdoor kan hij geïsoleerd raken. In het contact met anderen is hij afhankelijk van ondersteunende communicatiemiddelen, bijvoorbeeld gebarentaal. Weinig mensen kennen of beheersen deze middelen. Hierdoor is het netwerk van de cliënt vaak beperkt.
     
  • Hij schrikt sneller. Bijvoorbeeld doordat hij mensen of auto’s niet hoort aankomen.
     
  • Voor anderen is niet altijd duidelijk dat de cliënt slechthorend of doof is. Vooral bij cliënten met een ernstige verstandelijke beperking is het moeilijk te herkennen. Dit kan ertoe leiden dat de cliënt wordt overvraagd.

Hoe weet je of de cliënt slecht hoort?

Veel cliënten kunnen zich niet goed verstaanbaar maken. Daarom laten ze vaak met veranderingen in hun gedrag zien dat er iets aan de hand is. De cliënt kan bijvoorbeeld:

  • steeds minder reageren als je iets vraagt of vertelt.
  • angstig of boos worden.
  • stiller worden en minder vragen stellen.
  • de radio of televisie steeds harder zetten. 
  • anderen niet meer begrijpen.
© 2021 - Alliade
scrollen